Kleitabletten
Spijkerschrift!
De opgravingen in de Assyrische nederzetting hebben inmiddels ruim 360 spijkerschriftteksten opgeleverd. De meeste komen uit de tijd van de Assyrische koning Assur-nerari III (1192-1187 voor Christus), de laatste jaren van het fort. Een aantal teksten is wat ouder en dateert van de tweede helft van de regering van de Assyriër Tukulti-Ninurta I (1233-1197 voor Christus), en van die van zijn opvolger Assur-nadin-apli (1197-1193 voor Christus).
Uit de teksten blijkt dat de nederzetting te Tell Sabi Abyad versterkt was (een dunnu in Assyrische terminologie) en het bezit was van de grootvizier, Assur-iddin en diens zoon en opvolger Ili-pada. Aangezien de grootvizier meestal elders verblijft, is het dagelijks bestuur in handen van de rentmeester (abarakku) Tammitte. Tammitte leeft in het fort, waar hij ook zijn kantoor heeft en waar ook een aantal lagere administratieve ambtenaren werkt. Het fort en de bijbehorende boerderij heeft ongeveer 1000 mensen in dienst, vooral krijgsgevangenen en gedeporteerden. Het grootste gedeelte van deze mensen moet in kleine boerderijtjes op het omringende land gewoond hebben. Eén van die boerderijtjes heeft misschien op Khirbet esh-Shenef gestaan, een kleine heuvel in de buurt van Tell Sabi Abyad.

Het fort op Tell Sabi Abyad is een belangrijke douanepost, gelegen langs een karavaanroute in de richting van de Assyrische hoofstad, Assur. Tammitte wordt geacht passerende karavanen nauwkeurig te controleren zodat hij geen belastingsgelden misloopt. Deze taak wordt zeer serieus genomen: in één van de teruggevonden teksten wordt de opzichter met de dood bedreigd wanneer bij controle achteraf mocht blijken dat bepaalde goederen ontbreken. Het merendeel van de teksten heeft betrekking op lokale bestuurskwesties, zoals het uitdelen van rantsoenen, de leveranties van graan en zaaigoed, het beheer van velden, de produktie van bier, en het sussen van ruzies. Zo moeten bronzen sikkels voor het oogsten van het graan worden uitgedeeld aan landarbeiders, krijgt een pottenbakker opdracht om nieuw aardewerk te maken ("Wij hebben geen vaatwerk meer om aan onze gasten voor te zetten!"), en is er dringend een parfummaker nodig. Andere teksten gaan over militaire zaken en spionage; we bevinden ons tenslotte aan de grenzen van het koninkrijk en de Hethieten (de aartsvijanden van Assyrië) zijn niet ver weg! Zo moeten ambtenaren uitzoeken wat er achter de vredesbesprekingen zit die gevoerd worden tussen de koning van Emar en de koning van Carchemish, en is er reden voor feest "wanneer de strijdwagens van Ili-pada terugkeren naar de forten."


Uit de teksten blijkt dat het logge en bureaucratische Assyrische bestuur zijn ambtenaren ruime mogelijkheden biedt de eigen beurs te spekken. Tijdens zijn inspectietochten door het rijk bezoekt de grootvizier herhaaldelijk het fort op Tell Sabi Abyad. Hij controleert of de zaken naar wens verlopen. Tegelijkertijd treedt hij op als bemiddelaar in allerlei ruzies en zakelijke geschillen tussen burgers of tussen burgers en overheid. Uiteraard laat hij zich hiervoor goed betalen met slaven, graan, schapen of ezelinnen, al naar gelang de ernst van de zaak. Alle afspraken omtrent de beloningen worden netjes op schrift gesteld. Als de zaak naar tevredenheid is afgehandeld, komt het contract weer tevoorschijn. Zo lezen we dat de grootvizier zich laat overhalen te bemiddelen in een ruzie tussen twee mannen, Sigelda en Adad-suma-iddina over een niet-afgeloste lening. Sigelda's vrouw, Damqat-Tasmetu, biedt de grootvizier als beloning één slaaf aan. Voor de Assyriërs gaan staatsbelangen en privé-zaken hand in hand. De spijkerschriftteksten van Tell Sabi Abyad zullen worden gepubliceerd en wetenschappelijk verwerkt door dr. F.A.M. Wiggermann van de Vrije Universiteit Amsterdam, Faculteit der Letteren, opleiding Oudheidkunde (met Assyriologie).
|