Nederzetting
Het Assyrische fortDe Assyrische nederzetting op Tell Sabi Abyad was tussen 1230 en 1150 voor Christus bewoond. Relatief kort dus. Desondanks is haar geschiedenis erg complex.

Op dit moment onderscheiden we zes bouwfasen. De oudste bewoningsresten dateren misschien zelfs uit de tijd dat de Balikh-vallei deel uitmaakte van het koninkrijk Hanigalbat. De Assyrische periode is vertegenwoordigd met drie bouwfasen. Ten slotte vinden we nog een staartje bewoning uit de periode direct na het vertrek van de Assyriërs (ca. 1100-1080 voor Christus), en uit de veel latere Byzantijnse tijd (5de eeuw na Christus). De resten uit de Assyrische tijd zijn het best bewaard gebleven; die graven we over een groot oppervlak op.


Op de top van de heuvel Tell Sabi Abyad staat een grote vesting die vrijwel geheel is vrijgelegd. De vesting is gebouwd volgens een goed plan. De burcht bestaat uit een vierkant gebied van ca. 60 bij 60 meter en is omgeven door een hoge muur. Buiten de vestingmuur liggen woonhuizen en werkplaatsen. Daarvan is inmiddels ook een flink deel opgegraven. Zoals gebruikelijk bij traditionele architectuur in het oude Syrië is de gehele vesting gebouwd van in de zon gedroogde leemtichels. Een grote, vierkante toren staat middenin het ommuurde terrein. De toren is ongeveer 23 meter lang en 21 meter breed, heeft meters brede muren en tenminste twee verdiepingen. De uitstekend geconserveerde benedenverdieping bestaat uit negen kamers die toegankelijk zijn via lage boogdeuren. Deze toren is vergelijkbaar met de donjons in Europese middeleeuwse kastelen. Hier werden, zo vertellen de spijkerschriftteksten, gevangenen bewaakt. Verder werd het gebouw gebruikt voor opslag; we vinden in sommige kamers tientallen kruiken en potten, gedeeltelijk nog vol verkoold graan.



 Direct naast de toren staat een paleis, qua omvang ongeveer net zo groot als de toren. Het paleis heeft een langwerpige, centrale ontvangstkamer, ongeveer 17 meter lang en 4 meter breed, die aan weerszijden omringd is door kleinere woon- en werkvertrekken. Voor het paleis ligt een groot ommuurd hof met een betegelde vloer.
De twee zijvleugels van het paleis hebben een toilet en badkamer. De badkamer heeft een luxueuze, betegelde vloer en het toilet is een hurktoilet zoals men die vandaag de dag nog steeds aantreft in Mediterrane landen! De ruimte tussen deze twee monumentale bouwwerken in het centrum en de forse buitenmuur is volledig volgebouwd. Hier vinden we woonhuizen, opslagruimtes, werkplaatsen voor ambachtslieden, en kantoren voor ambtenaren en ander administratief personeel. Smalle straatjes geven toegang tot de verschillende gebouwen. De nauw met elkaar vervlochten huizen hebben kleine binnenplaatsen, vanwaar de verschillende vertrekken te bereiken zijn. Sommige kamers dienen voor wonen en slapen, andere zijn werkvertrekken voor ambtenaren, en weer andere zijn keukens of opslagplaatsen. Er is een werkplaats voor een pottenbakker. In het zuidwesten van het fort staan de broodovens van de bakker. Hier moeten ook enkele koks aan het werk zijn geweest: we vinden in een schaaltje de verkoolde resten van knoflookteentjes! Toen de Assyriërs hun stadje in grote haast ontvluchtten, lieten ze de meeste spullen achter op de plaats waar ze gebruikt werden. Kort daarna ging de nederzetting in brand op. De achtergelaten spullen vinden terug op de vloeren van de gebouwen. Na de brand heeft de vesting er een tijdlang verlaten bijgelegen. Uiteindelijk zijn de Assyriërs teruggekomen en is de nederzetting gedeeltelijk weer opgebouwd. De ruïnes van de monumentale toren en het paleis in het centrum dienen in de late 12de eeuw voor Christus als vuilstortplaats en begraafplaats. In de ruïnes van de nederzetting bouwen de nieuwe bewoners huizen en werkplaatsen.
|